De druk van het moeten
Alles heeft zijn eigen tempo — ook je lichaam
Veel mensen om me heen (ik incluis) kennen het: er moet nog van alles. Voor het werk, in huis, in het gezin, in de agenda. Soms is dat motiverend; vaker wordt het een soort achtergrondgeluid waar je niet meer goed van slaapt.
Ik heb ook wel eens in sessies of bijeenkomsten gezeten waar het woordje moeten verboden was — grappig, want dan moest je dus niet “moeten” zeggen. Ik wil het woord niet demoniseren: sommige dingen zijn gewoon hard nodig. Maar ik word steeds nieuwsgieriger naar de vraag: wanneer is “moeten” eigenlijk “willen”? En als het géén wil is: waar komt dat moeten dan vandaan — en waar voel je dat in je lijf?
Externe oorzaken (sociale druk)
Neem iets kleins: “Ik moet die oprit echt onkruidvrij maken.” Zelf vind ik een strakke oprit ook fijn — maar als ik eerlijk ben, zit er vaak ook iets van “wat vinden anderen ervan?” achter. Dan is het minder tuinieren, en meer aanpassingsdruk. In mijn werk zie ik dat soort druk niet alleen in het hoofd terugkomen, maar ook als spanning, een hoge ademhaling, opgejaagdheid, of juist een soort lamleggen. Je lichaam antwoordt vaak eerder dan je hoofd.
Verlangen
Soms zit er wél een echt verlangen achter een “moeten”. Bijvoorbeeld: contact met vrienden. Dan kun je “moeten” vaak rustig vervangen door “willen”. En als dat niet lukt, is een mooie verdiepingsvraag: voor wie doe ik dit eigenlijk? In opstellingenwerk wordt die vraag soms heel concreet: je merkt dat je je haast voor iets — of iemand — dat helemaal niet van jou is.
Werk en grenzen
Toen ik nog fulltime bezig was met mijn grafische onderneming, moest er vaak van alles, en dat moest eigenlijk gisteren al. Klanten bepaalden mijn agenda, en als ik dan de door hun opgelegde deadline haalde door bijvoorbeeld een advertentie maandag aan te leveren, waren het diezelfde klanten die vaak pas een week later die advertentie ook echt plaatsten. Naar mate ik zekerder werd van mijn kracht en kwaliteit, kon ik ook meer ontspannen in het omgaan met dit soort druk. Ik hou van deadlines, en ik hou van last-minute toch nog net voor elkaar krijgen wat onmogelijk werd geacht. Daar kan ik goed op gaan. Maar dan alleen als er een echte urgentie is, als mijn klant er echt blij van werd (en dankbaar) als ik het dan toch voor elkaar kreeg. Toen ben ik dat sterker neer gaan zetten. Ik ben veel beter naar mijn intuitie gaan luisteren. Als iets écht haast had, dan kon ik dat vaak al uit het eerste contact opmerken. En dus gaf ik vaker mijn grenzen aan als die urgentie niet voelbaar was in het contact. Dat heeft me ook wel eens klanten gekost, maar eerlijk, dat soort contacten ben ik dan liever kwijt. Ze zogen teveel van mijn energie op.
Waarom ik dit weer schrijf (en wat ik er nu aan toevoeg)
Jaren geleden schreef ik over mijn dochter en een grote glijbaan: jarenlang spannend, en op een dag ging het ineens — niet omdat we druk hadden gezet, maar omdat haar tempo leidend was. Dat raakte me toen al; nu raakt me vooral dit: ontwikkeling is niet iets wat je met moeten versnelt. Het is iets wat gebeurt als er veiligheid is — in het hoofd, en in het lijf. In sessies kijk ik daarnaar vanuit contact en regulatie: wat heeft je systeem nodig om niet in “moeten” te blijven hangen? In een NEI sessie komen we er dan soms achter dat er een oude emotie achter een “ik moét…” zit — iets dat ooit in je systeem is gekropen en ongemerkt bleef meesturen. Als we dat dan intergreren en loslaten kan je systeem weer ontspannen.
Niet alles tegelijk
Wat ik eruit leer — toen al, en nu nog sterker in mijn praktijk: er blijft van alles moeten, maar jij hebt wél invloed op de omstandigheden waarin dat gebeurt. Als je uitspreekt dat je intentie goed is maar je eigen ritme serieus neemt, helpt dat soms ook je omgeving om even mee te kijken: wat moet er nú echt?
- Hits: 58